GAMBIA – Kleurrijke vogels en culturen | door Johan Bos

Hieronder een persoonlijke impressie van de voorbereidingsreis van Wild Nature Travels in 2003 naar The Gambia. Over vogels, krokodillen, besneden kinderen, gemaskerde mannen, kookpotten, en slavenhandel. Dit verhaal is een heel persoonlijk verslag van gids en oprichter van Wild Nature Travels Johan Bos. Het geeft een goede indruk van dit geweldige land.


Gambia: vriendelijk vogelparadijs…
In 1965 verkenden de eerste vogelaars Gambia. Ze waren verbijsterd. Niet alleen omdat hier de vriendelijkste mensen van de wereld (b)leken te wonen, maar ook vanwege het onbekende natuurparadijs dat zich openbaarde. Sindsdien is het aantal ecotoeristen naar dit kleine West-Afrikaanse land flink toegenomen. En ze zijn welkom. Want Gambianen weten dat natuurliefhebbers niet komen om een beetje in de zon te braden. Integendeel, ze reizen door hun land, maken graag een praatje met de lokale bevolking, huren taxi’s of boten en kopen water en eten in de dorpjes. Dat stimuleert de lokale economie.

Gambia, dat weinig andere bronnen van inkomsten heeft, gokt op duurzaam natuurtoerisme. Een goede zaak. Want hierdoor kan het kleine areaal aan natuurparken blijven voortbestaan en zelfs worden uitgebreid. Nu is ruim 3 procent beschermd. Het streven is om daar snel 5 procent van te maken. Wild Natura Travels heeft zich ten doel gesteld hieraan via duurzame reizen bij te dragen.

Erg veel (nieuwe) soorten
Toen ik voor het eerst de veldgids Birds of The Gambia serieus ter hand nam, was de neiging hem meteen weer dicht te slaan groot. Zoveel nieuwe soorten… waar moet je beginnen? Niet één ijsvogel, nee zeven of acht verschillende. En wat te denken van de talloze glansspreeuwen, scharrelaars, vliegenvangers, honingzuigers, bijeneters, kakelaars, neushoornvogels… Help! En dan het zoogdierenboek, want al zijn er in Gambia geen giraffen, leeuwen of olifanten meer, er zijn nog altijd hyena’s, bosbokken, apen, nijlpaarden, civetkatten en eekhoorns. Zelfs het luipaard komt hier nog voor, zegt men.

Maar eerlijk is eerlijk: de voorbereiding was uiteindelijk niet al te moeilijk. Wie de boeken een paar keer goed doorneemt en de verslagen van anderen leest, raakt snel vertrouwd met het wilde leven van dit piepkleine land. En voor de toekomstige reizigers is de site van Wild Natura Travels een uitstekende start.

dag 1

Naïviteit
Dan is het zo ver. Transavia brengt me keurig op tijd naar Banjul (Bamboe), de hoofdstad. Je stapt uit en meteen staan talloze Gambianen heel uitnodigend naar je te kijken. Achteraf begreep ik dat ze van onze naïviteit gebruikmaakten om ons, op wederom zeer vriendelijke wijze, van onze laatste losse euro’s te verlossen. Aan de kust zie je dat wel meer. Daar vragen de kofferdragers, vogelgidsen, kinderen en bedelaars nog wel eens om geld, maar echt vervelend wordt het nooit. Als je niets geeft, blijven de mensen evengoed aardig en beleefd. Dat zit de Gambianen gewoon in hun genen. In het binnenland wordt nagenoeg niet gebedeld. Daar komen de mensen eerder uit nieuwsgierigheid naar je toe.

Met de bus naar het hotel. Het is er sober, maar netjes schoon en ook hier weer die enorme hoffelijkheid. Hoe houden ze het vol?!

Het paradijs = hard werken…
Nadat de spullen veilig op de hotelkamer in Kololi zijn gestationeerd, pak ik direct mijn belangrijkste gereedschap: verrekijker, video- en fotocamera. Het is tijd om de omgeving te verkennen. Na drie meter is het al raak: schildraaf, feeënhoningzuiger, vuurvink, blauwfazantje, dwergbijeneter, gespikkelde duif en breedbekscharrelaar… Voor mij allemaal nieuwe soorten. Ik snuif diep. Het paradijs = hard werken, als u begrijpt wat ik bedoel. De camera draait direct op volle toeren. Als je adequaat reageert, dan kun je vrij makkelijk goede plaatjes maken.

Mijn gids en ik pakken een taxi naar een nabijgelegen poel: middelste reiger, lelieloper, westelijke rifreiger, sporenkievit, witsnavelbuffelwever, heilige ibis… Ik beperk me even tot het belangrijkste nieuws. Dan wordt het al donker. Ik ga eten en het smaakt me best.

dag 2

Abuko Natural Reserve: vogels, bosbokken, krokodillen
De volgende dag ga ik voor dag en dauw met gids Alex het park Abuko Natural Reserve in. Houdt u vast: pelioslijster, goudkapfiscaal, Afrikaanse reuzenijsvogel, bosbok, nijlkrokodil, grijze bananeneter, groene en violette toerako, zwarte reiger (dat geinige parapluutje), kapgier, grote textorwever, groene meerkat, rode colubus, grijsvoeteekhoorn, teugelijsvogel… Het is om duizelig van te worden. En deze lijst is lang niet compleet.

’s Middags een nieuw avontuur: varen op de Gambia-rivier. Deze getijdenrivier is breed en omzoomd door gave mangrovebossen. Het zoute water van de zee dringt in de droge tijd (oktober/maart) meer dan 150 km het land in en schuift dan langzaam onder het afstromende zoete water. In de regentijd domineert het zoete water. Het is duidelijk: in zo’n dynamisch milieu is er van alles aan de hand. Je kunt vis met twee vingers uit het water plukken, er zwemmen zelfs kwallen en de pelikanen zijn bijkans lui van genot. Even je snavel onder houden en je buik zit vol. Toch zijn zowel de roze als de kleine pelikaan erg schuw. De blauwwangbijeneters showen hun prachtige kleuren in hoge kale takjes, terwijl overal grijskopmeeuwen te zien zijn. Talloze steltlopers uit Europa staan hier verkwikkend in de prut te prikken. Ze doen krachten op om straks terug te kunnen keren naar Nederland of noordelijker gebieden. Ik vraag me af of ze in de toekomst in de Waddenzee nog genoeg voedsel weten te vinden om weer naar Afrika te kunnen vliegen. Wij Hollanders springen immers nogal laconiek om met ons grootste natuurgebied en als je er wat van zegt wekt dat vaak grote ergernis op.

Oesters
Tijdens de boottrip zien we niet alleen vogels. Gambianen leven grotendeels met en van de natuur. Vrouwen in kano’s plukken schelpen van de mangrovewortels. Anderen vangen vis of garnalen of hakken een stukje van dit unieke wortelwoud weg om straks op te koken… Je kunt het deze mensen niet kwalijk nemen dat ze ons romantische natuurbeeld een beetje vertroebelen. Het is voor hun een kwestie van overleven.

Terug in het hotel is het eerst tijd voor de administratie: de lijst bijwerken, het digitale fotomateriaal sorteren en de planning voor de volgende dag doornemen. Daarna weer erg lekker gegeten. Ik was een beetje huiverig, omdat ik vegetariër ben, maar ik kan op dit punt voor de hele reis duidelijk zijn: koken kunnen Gambianen uitstekend en obstakels bestaan niet, want: ‘there are no problems in The Gambia’.

dag 3

Bijilo Park: apenland
De volgende dag eerst een kijkje in Bijilo Park, dat vooral bekend staat om zijn apen. Daarvan zijn er genoeg. Maar ook de glansspreeuwen zijn weer van de partij. Verder sahelbabbelaars, geelsnavelklauwier, rode en grijze tok, groene kakelaar en vele kleine soorten die je in Nederland vooral in kooitjes ziet… Bij Kotu Pond – het is alweer middag – meer soorten reigers dan je zo gauw kunt bedenken. Verder sporenkievit en de Barbarijse francolijn. Als de avond valt duikt in een boom nog gauw de heilig ibis weg, naast zwartkopreiger, grijze torenvalk zwarte reiger.

dag 4

Hadada ibis en zwartekroonkraan
De vierde dag bij Mandina op zoek naar de hadada-ibis, die we ook zien. Het is een schuwe vogel en niet erg talrijk. De plek is goed en er zijn ook weer diverse soorten glansspreeuwen, Senegalese spoorkoekoek, piapiac, bonte boertje, shikra, roodsnaveltok, schubkaplawaaimaker, grauwe buulbuul, fluweeldrongo, zwartbandbaardvogel, palmtortel, roodoogduif en treurtortel. De broekspijpen moeten wel dicht, want hier zitten veel bijtgrage legermieren.

Verder naar Pirang. De zwartekroonkraanvogels zitten hier nog, maar worden elk jaar zeldzamer. Er is wel bewaking. Lokale gidsen, die af en toe wat krijgen van vogelaars, houden een oogje in het zeil. Dat is positief nieuws. Door naar Faraba Banta. Hier is een soort te zien die erg aanspreekt: geelsnavelossenpikker. Ze zitten goed vastgeklemd op de huid van een rund en grazen continu door de vacht van het dier. Je blijft ernaar kijken. Ze schijnen niet alleen teken en insecten te eten, maar ook kleine beetjes bloed af te tappen bij hun gastheer.

Roofvogels
Verderop, bij Kampanti, stoppen we bij een rijstveld. In een oogwenk zien we dat dit terrein een perfecte habitat is. Talloze roofvogels laten zich gemakkelijk bekijken, van de palmgier tot de kaalkopkiekendief. Een goochelarend (bateleur) vliegt helaas van ons af. Die zit wel in Gambia, maar is toch niet zo gemakkelijk te spotten. Dan zien we nog wat sporenkieviten, lelkievit en… hamerkop. Mijn adem stokt, maar toen wist ik nog niet hoe gemakkelijk je deze geinige vogel in Gambia ziet en kan fotograferen. Als je rustig naar hem toebeweegt, blijft-ie ongestoord voortgaan met zijn activiteiten. De sluiter van mijn camera maakt overuren.

Voor de nacht stoppen we in Tendaba River Camp. De imposante, onverstoorbaar stromende rivier ligt pal naast het kamp en er zijn steigers waarvanaf je kunt varen. Ook nu weer heerlijk gegeten en voor het eerst van mijn leven buiten gedoucht onder een stralende sterrenhemel, met (om het Afrikagevoel te completeren) op de achtergrond geroffel op de djembé, dat binnenstuitert uit het aanpalende dorp. Het lauwe water van de douche spoelt het overdadige stof weg en ook de vermoeienissen van de dag lijken wel mee het putje ingestroomd te zijn. De slaaphutten zijn mooi, sober en netjes en nadat je je ogen hebt gesloten lijkt het meteen weer licht…

dag 5

Speuren naar de honingspeurder
Als de vijfde dag kriekt met opwindende geluiden van de buulbuul en de grijze bananeneter, maken we ons op voor een wandeling rond Tedaba Airfield. Veel soorten zijn al een beetje ‘oude’ bekenden geworden en ook een aantal geluiden kunnen we inmiddels herkennen. Met name de roodoogtortel is gemakkelijk. Hij zegt steeds: ‘I am the red eye dove’ (om dol van te worden).

Nadat ik wat napoleonnetjes heb gefotografeerd, valt mijn oog ineens op de grote honingspeurder (Indicator indicator). Helaas was ik te laat met de camera, maar ik zie wel wat deze fraaie vogel aantrekt: een aantal honingraten in een boomholte. Onderzoekers hebben ontdekt dat de honingspeurder met een bepaalde stam in Afrika een speciale band heeft. De jagers van die stam kunnen de vogel roepen door in een schelp te blazen. Dan komt de Indicator en de mensen volgen hem. Hij wijst ze de nesten van bijen die hij moeilijk kan plunderen. Dat klusje laat hij door de jagers opknappen, die de honing eruit halen en, als dank, de larven achterlaten voor de vogel. Een schitterend verhaal over aanpassing en nog waar ook. De vogel weet onder meer nesten te vinden door bijen op te wachten bij drinkpoeltjes. Als de bijen terugvliegen naar hun raten, dan vliegt de speurder erachteraan.

Verder: grijsgroene specht en sahelscharrelaar, een onvoorstelbaar mooi beest. Ook die laat zich redelijk goed besluipen. Een boom vol maskerduiven in tegenlicht levert prachtig beeld op.

’s Middags een tussenstop in Soma, met weer de allervriendelijkste mensen van de wereld. Let wel: Gambianen willen niet dat je ze zomaar op de foto zet. Wie de camera voor zijn ogen plaatst, wordt teruggefloten. Het is het beste eerst even te vragen of het maken van een plaatje geen belemmering is. Vaak kan het dan toch, of ze vragen er een kleine vergoeding voor.

Na het eten rijden we door over een weg die meer uit kuilen dan asfalt bestaat. Soms zijn de gaten zo groot dat er bijna een auto in past. De meeste chauffeurs rijden er naast, over een zacht hobbelend zandpad. Dat betekent wel stofhappen, maar dat is minder erg dan het risico je nieren te verspelen als zo’n stug verende auto ineens in een gat duikt.

Besnijdenisritueel
Dan even een moment van bezinning. We zien langs de weg een groep kinderen met hoofddoeken. Onze gids Alex, afkomstig van de Mandinka-stam, weet dat ze onlangs het besnijdenisritueel hebben doorgemaakt. En als je de kinderen in de ogen kijkt, dan weet je direct dat ze een trauma staan te verwerken. De besnijdenis, vooral van meisjes, is enorm ingrijpend. Hoewel deze kinderen hun lot met opgeheven hoofd dragen, gaat achter hun gezicht veel pijn schuil. Na de besnijdenis blijven ze verplicht drie maanden in de bush. Dit hoort bij het proces van reinigen en interpreteren. Ze zullen dan, aldus onze gids, ‘als betere mensen’ terugkeren; ten dienste staan van anderen. Maar voordat het zo ver is, wordt ze door een traditionele maskerade-figuur met machetes nog even de schrik op het lijf gejaagd. Zodat ze goed doordrongen zijn van de ernst van de zaak.

Respect
Voor ons westerlingen is dit volkomen onbegrijpelijk. Belangrijk is echter om respect te tonen voor deze kinderen, want zij weten niet beter en dienen de regels en tradities van hun stam te volgen. Overigens is de besnijdenis niet iets dat elke moslimgemeenschap doet. Het zijn slechts bepaalde stammen die de besnijdenis van vrouwen in stand houden. Als je er in alle openheid over praat met iemand, dan blijken zij niet te begrijpen dat wij westerlingen niet besneden zijn. Verder houd ik over deze indringende belevenis graag mijn mond en laat ik u even alleen met deze absoluut unieke foto’s.

Onderweg kom ik langzaam bij van hetgeen we zojuist gezien hebben. Heel voorzichtig pakken mijn ogen weer silhouetten vast op boomtakken. ‘Kijk een bruine slangenarend’, roept iemand. O ja, dat was het…, we waren aan het vogelen…

Marabou en Verraux oehoe
Bij Fula Bantang zit een grote maraboekolonie. Koddig om te zien. Deze vogels houden voor mij het midden tussen een ooievaar en een gier. Ze hebben kolossale nesten en er zitten al grote jongen in. Af en toe klepperen ze en vliegen ze wat heen en weer. De kolonie zit precies aan de rand van het dorp. Vogels en mensen houden gepast afstand.

Het eind van deze dag krijgt nog een groots slotakkoord. Bij Brikama Ba staan een paar immense bomen waar we recht op afgaan. Tussen de enorme takken zit een wel heel mooie vogel: verraux oehoe, herkenbaar aan zijn ‘oren’ en vooral zijn rozerode oogleden. De uilen vinden het wel best dat we naar ze koekeloeren. Ze staren onverstoorbaar terug en hoewel onze Swarovski-kijkers scherp zijn, twijfel ik er niet aan dat zij een minstens zo kraakhelder beeld van ons hebben. Als ik die gigantische poten en nagels zie, ben ik allang blij dat ik niet op hun menu sta. De dichtbij-foto is overigens gemaakt door de ATS 80 HD-telescoop. U ziet het: goede wijn behoeft geen krans.

Hier bij Brikama Ba krijg ik nog eens de kans een prachtig meisje te fotograferen met op haar rug een klein broertje of zusje. Om van te smullen.

We eindigen de dag bij Georgetown, ooit het centrum van de slavenhandel. Weer zoiets waardoor je er niet altijd trots op bent ‘toubab’ (witte man/dokter) te zijn. De avond wordt bekroond met de lekkerste maaltijd tot nu toe! Het schemert en ineens scheert de standard winged nightjar over mijn hoofd. Met die rare lange veren. Net alsof-ie achtervolgd wordt door twee kleine vogels…

dag 6

Vuurpijlen of vogels?
De volgende morgen bij Georgetown een boottocht naar het westen, stroomafwaarts. Hier ligt het zoute water diep onder het zoete. We zien een hele oever vol sporenkieviten, met daartussen Senagalese grielen. De roodkeelbijeneter zorgt voor ‘oeh-‘ en ‘aah’-geluiden. Als die wegvliegt is het net of iemand een vuurpijl afschiet. Wat is de evolutionaire motor achter een vogel die zo oogverblindend mooi is? Je zou haast in God gaan geloven. Daarna worden we ruw tot de orde geroepen als ineens een hamerkop overvliegt. Hij is ook mooi, dat wel…, maar het ziet er toch niet uit.

We schrikken plotseling van twee palmgieren, die op minder dan tien meter op een tak langs de rivier blijken te (blijven) zitten. Nervositeit, een schommelende boot, de altijd moeilijke keus tussen camera of verrekijker maken het mogelijk dat je van zo’n kolossale vogel toch nog bijna onscherpe foto’s maakt. Gelukkig blijkt ’s avonds dat er bruikbare plaatjes tussen zitten. Let u even op die klauwen?! En dat voor een vegetariër…

Nog nauwelijks hersteld van deze gebeurtenissen flapt ineens een witruggier over en even later een vale gier. Ook de Afrikaanse zeearend houdt zich graag schuil tussen de palmtakken, maar wel goed genoeg voor een mooi plaatje. Dat maakt een fotograaf vrolijk. Als dan ook nog een troep bavianen met veel kabaal door het struweel trekt, en je zeker weet dat je niet in Artis bent, is deze dag weer goed. We gaan verder ‘up river’ met de auto om te eindigen in Basse. Spannend, want morgen staat ons de belangrijkste soort van deze reis te wachten…

dag 7

Vorstelijke vogel
We zijn wakker voordat het licht wordt. De vogel die vandaag nummer één op het programma staat is zo vorstelijk, dat je hem niet mag laten wachten. Onze bootman (boatman) past helemaal in het beeld: uiterst vriendelijk en behulpzaam en hij heeft , godzijdank , geen buitenboordmotor! Met elastische slag stuwt hij de boot voort door een enkele peddel in achtjes rond te draaien. We gaan met de stroom mee. Nog geen tien minuten onderweg roept de schipper: ‘crocodile bird’, ‘crocodile bird’! En ja hoor: er vliegen drie vogels krijsend over het water, waarna ze keurig op een overzichtelijk oevertje gaan zitten. Terwijl mijn hart nog in mijn keel zit, zie ik schuin achter me in mijn ooghoek een verdacht beest ineens laag over het water voorbijsuizen. Ik denk: ‘even geen tijd, eerst die krokodilwachter’, maar juist op dat moment dringt het tot me door dat dit misschien wel het meest mysterieuze beest van Gambia is: finfoot… Terwijl ik dat de boot in mompel, zodat ook de anderen hem kunnen zien, zet ik bliksemsnel de camera voor mijn neus en schiet een plaatje. En wat denkt u? Raak. De omstandigheden waren buitengewoon slecht, want nog half donker, maar toch staat-ie erop en je kunt ook goed zien dat het hem is. Natuurlijk wist ik toen nog niet wat ons een paar dagen later zou overkomen.

Doodstil
Al zijn ze beide zeer zeldzaam, één ding is zeker: de krokodilwachter is verreweg de mooiste vogel van Gambia. Daar kan de geheimzinnige finfoot niet tegenop. We hebben geluk, want de prachtige plevieren lopen met z’n drieën keurig te paraderen over de modderige oever van de rivier. Alsof wij niet bestaan… Onze boatman blijkt heel goed in zijn vak. Hij laat de metalen schuit keurig naar de oever drijven en op verzoek van ondergetekende blijft iedereen doodstil zitten. De lichtomstandigheden zijn niet zo best, dus elke schommeling is dodelijk. Dan klikt de camera en zit er in de boot tenminste één heel gelukkig persoon!

‘Back off please’?
We varen nog wat verder. Een kwak laat zich gemakkelijk ‘vangen’ met de camera, net als twee Senegalese grielen. Dan ineens horen we het schelle geluid van de teugelijsvogel. Hij zit in een tak boven het water en maakt weinig aanstalten om zich te laten wegjagen door onze komst. Het lijkt alsof hij een heel andere agenda heeft. De boot glijdt soepel naderbij en ik beweeg met mijn hele bovenlichaam achteruit, want de vogel zit klem in mijn lens. Ik krijg hem niet meer scherp. En juist op dat moment vragen ze achter me of het gelukt is… Nou nee dus, achteruit met die schuit! ‘Back off please!’, pers ik er nijdig uit. Of ik moet een macrolens monteren, maar die gedachte past zo ’s morgens vroeg even niet in mijn brein.

Terwijl de boatman glimlachend in de achteruit gaat, word ik gered door de vogel zelf en nu zie ik ook wat hem bezighoudt. Een vissersvrouw zit in een bootje haar netten te herstellen en er liggen wat visjes in een emmertje. Hij vliegt van zijn tak naar het bootje en gaat op twintig centimeter van de vrouw op de rand zitten. Tijd om deze slimme visser te vereeuwigen. De vogel werkt geduldig mee. Hij draait zich keurig om, zodat ik het hele verenpak in volle glorie kan bewonderen. En die ontzagwekkende snavel natuurlijk. Missie geslaagd en meer dan dat! Terug naar het camp voor ons ontbijt. Al mijn vezels tevreden en verzadigd.

Omdat de Afrikaanse cultuur ook interessant is, trekken we Basse door. Het is een groezelige, stoffige, drukke stad, maar vol leuke mensen en we weten ondanks de fotorestricties mooie beelden te maken van Afrika.

De middag wordt gebruikt om terug te reizen naar Georgetown.

dag 8

Meneer ‘De President’ en het kanon
Dag 8 wordt vooral besteed aan organisatorische zaken. Later volgt nog een korte trip naar het slachthuis van Bansang, waar ik een schitterende serie kan maken van een Senegalese spoorkoekoek. Het is een wat bizarre situatie. Overal liggen koeienkoppen, met de horens er nog aan. Op een muurtje zitten de kapgieren rustig te wachten tot zij zich op de rottende resten van het vlees kunnen storten. De stank is ondraaglijk, ook al omdat het een kleine dertig graden is. Wat zou onze keuringsdienst hiervan zeggen? Als fotograaf (en vegetariër) kan ik niet te kritisch zijn… Anders had ik die vogel nooit gezien. Hij sluipt bijna onzichtbaar over de knekels en schedels. Zijn veren hebben nagenoeg dezelfde kleuren: wit, bruin, zwart… En het lijkt wel of hij volledig op die schutkleur vertrouwt, want ik sta op slechts een paar meter afstand. Avonds willen we de intocht meemaken van de president van Gambia.

Al de hele dag zijn de mensen van Georgetown nerveus over de komst van deze op eigen initiatief hooggeplaatste persoon. Wij besluiten ’s avonds onze kans te grijpen en gaan in de duisternis de stad in. Op het plein vlak bij de pont aan de noordkant staat slechts één lantaarnpaal. Dat kun je je nauwelijks voorstellen als je zelf in de omgeving van lichtkanon Schiphol woont. Gelukkig is ook de maan present. Het rumoer en de doordringende djembéklanken laten er geen misverstand over bestaan in welke richting ik moet.

Kookpot
In het centrum aangekomen steek ik de weg over. Plotseling doemt vanuit het duister een reusachtige, als boom opgetuigde man op, met twee blinkende machetes, en een overdaad aan spieren. Dat kan ik nog net zien. Hij begint geluiden te maken die je als westerling niet zomaar even nadoet en slaat de vlijmscherpe messen krachtig op elkaar. Het maakt indruk. Maar ik denk Gambia al een beetje te kennen en blijf rustig staan. De mensen om ons heen joelen broeierig. Dan begint de gestalte vervaarlijk te stampen en te dansen. Heb ik me noodlottig in de situatie vergist? Heeft hij ergens de klassieke kookpot klaarstaan? Verse toubab (witte dokter) met peper en zout? Gelukkig weet ik dat ze in Gambia geen honger lijden, maar toch… Vindt u het ook zo warm hier?

Ik klamp mij vast aan de gedachte dat het feest is en dat het offeren van blanken normaal gesproken uitsluitend en alleen nog in stripverhalen voorkomt. Bovendien is het strafbaar. Als de man weer begint briesen en te stampen, besluit ik van lieverlee hetzelfde te doen… je moet wat?! De man staart me even streng aan, voorzover ik dat in het zwakke schijnsel van de enige lantaarnpaal kan zien, en begint dan heel hard te lachen. Hij schudt me de hand. De kinderen aan de kant van de weg, die wachten op de president, juichen hilarisch: ‘toubab’, ‘toubab’. Ik voel enige transpiratie, maar ik weet zeker dat dit puur van het dansen met de boomman komt…

‘Toubab, can you dance!?’
Even later ga ik kijken bij een djembéband. De klanken van die trommels hebben een magische aantrekkingskracht. De kinderen verdringen zich voor me. ‘Toubab, can you dance’!?, roepen ze. Niet zo goed als zij, dat is glashelder, maar ik laat me niet kennen. Ik begin wat te huppelen en voel me een houten klaas als ik zie hoe soepel die kinderen bewegen. Ze maken van die perfect getimede klikklak-geluiden en roepen steeds ‘yeh-yeh-yeh’. Ik raak in vervoering. De betoverende, indringende trommels, de kinderen, de warmte, het stof… Ik zit echt in diep Afrika, realiseer ik me. Vogels? Wie had het nog over vogels…?

Dan scheert in een auto ineens een gestalte, die veel weg heeft van een etalagepop, langs de menigte. Dat was de langverwachte president. Het feest is voorbij. We gaan terug. Tijdens deze wandeling nog een korte ontmoeting met de gespikkelde dwergooruil. Hij kijkt ons vanaf een lage tak licht verbaasd aan. Wat een fraai beestje.

Tijd voor een drankje en we gaan zitten op iets dat lijkt op een terras. Gewoon wat stoelen in het zand, een tafeltje… En inderdaad: we worden keurig bediend. Hier vlakbij is ook een vaste telefoon en we maken van de gelegenheid gebruik om naar Nederland te bellen.

dag 9

Wachten op de pont
Dag 9 willen we via de noordkant van de rivier terug naar de kust. Het plan klopt als een bus. Nu de Nissan 4×4 nog naar de overkant van de rivier zien te krijgen. Normaal gesproken is dat geen probleem, maar een president zou geen president zijn als hij niet af en toe zijn macht zou tonen. Uitgerekend deze schitterende morgen vordert hij ónze pont om zich aan de andere kant van Georgetown over te laten zetten. Natuurlijk hebben ze daar ook een pont, maar het tweede vaartuig is nodig om zijn onafscheidelijke troepen, het kanon en alle andere poespas over te zetten… Afijn: ons wordt voorspeld dat het wel een paar uur kan duren. We zitten dus vast.

Ik maak van de nood een deugd en treed in contact met een jongeman die wat vertelt over de slavernij. Hij stelt zich voor als Ya Ya en we lopen naar de barak die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de mensenhandel. Hij toont de kerkers waarin de slaven tot begin 19e eeuw onder gruwelijke omstandigheden hebben gezeten. Je probeert je er iets bij voor te stellen, maar dat is onmogelijk. Deze kazerne is slechts het topje van de ijsberg.

Slavenhandel met spruitjeslucht
Tussen 300 na Christus en 1903, toen koning Mussa Molloh eindelijk de laatste slaven losliet, zijn circa twintig miljoen jonge, sterke Afrikanen gevangen en afgevoerd. De Gambia-rivier nam hierbij een sleutelpositie in, met aan het eind James Island, het centrum van het kwaad. Details over ziektes, mishandelingen en andere ellende kunt u zelf wel bedenken. Het leed is onnoemelijk geweest. Veel landen speelden daarin een bedenkelijke rol, inclusief Nederland. Sterker: wij zijn daar verhoudingsgewijs nog erg lang mee doorgegaan… De Hollandse koopmansgeest, waaromheen vaak een penetrante spruitjeslucht hangt, kent geen grenzen. Niet iets om trots op te zijn. Zou het daarom uit de schoolboeken geschrapt zijn?

In Georgetown (Janjanburee) staat het monument van de slavernij, met de Freedom Tree. Ik tref daar de heer Foday Manka, die er uitvoerig over kan vertellen, zonder een enkele uiting van wrok jegens mij of andere blanken. Hij beseft dat de slavenhandel een zeer ingewikkelde kwestie is geweest, die vele eeuwen heeft geduurd en dat er niet zomaar een schuldige is aan te wijzen. Zeker is wel dat Gambia een hoge tol heeft betaald. Zelfs Afrikaanse koningen deden eraan mee omdat het geld opleverde en andere voordelen had. Hij zou graag zien dat de toeristen die Gambia bezoeken ook bij hem in Georgetown komen kijken. Samen praten over de slavernij is zijns inziens goed voor de bewustwording en de verwerking. Het wegmoffelen van de historie is zinloos. Bovendien kan Georgetown wel toerisme gebruiken, laat hij tot slot weten. Vooral natuurliefhebbers zijn welkom omdat die in zijn optiek het land en de bevolking weten te waarderen en te respecteren.

The river Gambia
Na dit alles vind ik het nog aangrijpender dat de Gambianen zo enorm vriendelijk zijn. Ze hebben nogal wat leed verwerkt en zijn heel vaak onder de voet gelopen door grotere machten. Ze zijn zelfs totaal geïsoleerd van Senegal, dat aan drie kanten het land omsluit. De grootste barriëre is de taal, want in Senegal spreekt men Frans. Gambia is slechts het resultaat van een aantal kanonschoten vanaf de rivier naar het noorden en het zuiden. Toen de Fransen er in 1814 eenmaal mee hadden ingestemd dat de Engelsen ‘the river Gambia’ mochten hebben, werd de grens op deze merkwaardige wijze getrokken.

… inmiddels is het twaalf uur en de pont is terug. We zitten nog steeds vast op Georgetown. Wat een klein probleem als je dat tegen het licht van de historie houdt. Wij zitten niet in de kerkers, met stangen om onze nek aan een ander vastgekluisterd, terwijl we moeten vechten om een stuk kaal brood dat achteloos naar binnen wordt gegooid…

The Stoneman
Niettemin zijn we blij dat we weer verder kunnen. Maar houdt u vast. In onze auto hebben we een speciale gast: The Stoneman. Wie dacht alweer te gaan vogelen, heeft het mis. We gaan eerst met deze ‘mystical man’ naar de steencirkels van Gambia.

Zelden heb ik een vreemde ontmoet die in zo’n korte tijd zoveel indruk maakte met zijn verschijning als de Stoneman. Hij heeft uitstraling, mede door zijn fraaie, houtige stem. Stoneman is in heel Gambia bekend, hebben we gemerkt. Hij is adviseur van de regering, heeft een hoge functie als toeristenbegeleider en interpreteert al heel lang de mysterieuze stenen die overal in het land uit de grond lijken te groeien (althans, zo luidt het).

Bij Wasu, aan de noordkant van de rivier, is een enorme groep te vinden. In deze regio, met Senegal, beslaan de steencirkels samen ruim 15.000 vierkante mijl. Het is de grootste concentratie steenmonumenten ter wereld. Volgens wetenschappers zijn het graven, die volgens een bepaalde structuur zijn gemaakt. Dit lijkt ook een logische verklaring. Onze Stoneman heeft een heel kabballistische uitleg, die ik u hier bespaar. Boeiend is het zeker en vooral verwarrend. Zelf zegt hij altijd tussen de stenen te slapen en niets nodig te hebben om te overleven. De natuur is voor de Stoneman de belangrijkste kracht en we zouden er met meer respect mee om moeten gaan. Hij bekritiseert ook zijn landgenoten, die overal maar rommel neergooien. Er zal nog heel wat water door The Gambia stromen voordat men daadwerkelijk luistert naar zijn verhaal. Maar respect geniet hij alom!

Zwartkopkievit
Als we verdergaan is de dag al fors opgeschoten. We stoppen nog een paar keer voor witwangfluiteend, roodkruinscharrelaar (die kreeg ik maar niet goed op de foto!) en de zwartkopkievit. Als het duister begint te worden, steken we met een grote pont over naar de zuidkant van de rivier om uiteindelijk weer bij Tendaba-camp te gaan slapen. Onderweg, in het pikkedonker, maken we een overwachte stop als blijkt dat twee gestrande vrachtauto’s de weg blokkeren. Ook nu ervaar ik de positieve inslag van deze mensen. We lopen wat rond, praten wat met ze en zien hoe ze proberen toch nog een gaatje te maken, zodat wij tenminste door kunnen rijden. Zeer ontspannen en gemoedelijk.

dag 10

Knip, knip, knip
De tiende dag wordt beslist weer top. We gaan varen door een van de gaafste mangrovebossen van Afrika. En varen betekent: camera in de aanslag, want overal is er leven in de brouwerij. Direct na vertrek zien we een roze pelikaan. Hij is alert, net als ik. Voor het eerst in mijn leven probeer ik deze reusachtige vogel goed in de lens te krijgen. Dat lukt aardig. En hoewel mijn dag al niet meer stuk kan, besluiten nog meer vogels mijn alertheid te testen. Een Bengaalse stern suist over: knip! Een Afrikaanse zeearend: knip! De reuzenreiger: knip! Grote zilver: knip! En, in groten getale, de slangenhalsvogel: knip, knip, knip! Ook de Afrikaanse havikarend, de bonte ijsvogel en de westelijke rifreiger spelen het spel intelligent mee.

Maar dan gebeurt het. Ineens zien we tussen de mangrovetakken een kleine gestalte stiekem wegzwemmen. Je ziet hem haast niet met die spikkels op zijn rug… het is finfoot (watertrapper … daar mag de commissie naamgeving zich nog wel eens over buigen … ). Voor mij is het moeilijk fot’s maken, want hij schuilt zich op tussen de wortels en dan is het licht heel lastig. Een foto moet goed belicht zijn: het is maar een enkel moment dat je vastmetselt op de chip. Uiteindelijk weet ik toch wat aardige plaatjes te maken. Natuurlijk blijf je altijd hunkeren naar meer (in 2005 had ik weer het geluk finfoot te zien).

Nimmerzat
Op dat moment wilde ik eigenlijk achterover leunen. Finfoot zit twee keer in de tas. Wat wil je nog meer. We dobberen rustig terug, tussen de mangroveoevers door. Een lichte gaap dringt zich op bij het zien van de zoveelste slangenhalsvogel, hamerkop, ijsvogel en ralreiger. We dobberen terug naar de weidse rivier. Maar wat is dat?! Op een juist drooggevallen zandplaat staan twee nimmerzatten. Snel maar weer een foto proberen. Het is wel vermoeiend, zo’n reis…

dag 11

Hulpeloze kamerheer
Terug in Kololi. Onze kamerheer is verrukt dat we heelhuids zijn weergekeerd. Hij informeert beleefd naar onze ervaringen. Zelf is hij nog nooit zo ver geweest. Hij vertelt dat hij net getrouwd is en eigenlijk geen geld heeft om al met zijn partner te gaan samenwonen. Hoewel hij gelukkig is met zijn vaste baan, ziet hij de toekomst somber in. Bush, Bin Laden… Hij vindt het verschrikkelijk allemaal. ‘De islam is vrede. Geen oorlog. Als er iets geks gebeurt, zijn wij de klos.’ Hij sombert verder en is eventueel bereid zijn leven te offeren voor de vrede. Deze vriendelijke man, zo evenwichtig, zo spontaan, zo behulpzaam. Zijn leven gaat overhoop als de grote jongens beginnen te bakkeleien. Hij is hulpeloos, net als alle andere gewone, geweldige mensen in Gambia. Het is geruststellend voor hem te horen dat wij helemaal niet zo pro-Amerika zijn. Hij geeft me een warme hand en loopt bedrukt, maar toch ook weer enigszins opgemonterd weg. Wat voor indruk maken wij op deze man, vraag ik me af.

dag 12

Hamerkophaai
Dag twaalf nemen we een kijkje langs de kust. Bij een vissersdorp spreken we een aantal vriendelijke mensen. Juist op dat moment komen de mannen terug van zee en wordt de vangst uitgeladen. Veel gitaarvissen, maar ook een verpleegsterhaai en een jonge hamerkophaai. De vrouwen, gehuld in prachtige kleurige kleding, maken de vis schoon. Op zee zien we kelpmeeuwen, geelpootmeeuwen, Bengaalse en reuzensterns.

We gaan verder: naar Marakissa River Camp, eigendom van Nederlander Joop Hermsen. Het is een fraaie plek om onze reizen voortaan te starten. Geen hotelstrip, maar echt Afrika. Het rammelt echt van de blauwbuikscharrelaars. Schitterend. Wie een ommetje maakt, ziet meteen dat deze biotoop nog veel meer in huis moet hebben, maar de tijd is in ons geval beperkt. We horen van een Zweed, die hier zestig hectare land heeft, dat hier ook nog bushbaby’s voorkomen. Zijn dat evolutionair gezien niet onze voorvaderen? Op zijn schitterend gelegen terrein zijn tevens krokodillengaten waarin deze reptielen in deze tijd van het jaar liggen te slapen.

dag 13

Ongerept savannebos
Brufut woods is een van de laatste stukken ongerept savannebos in het westen dat grotendeels onaangetast is gebleven. Hier gaan we dag 14 naartoe. We zien grijze wouw, bonte tok, roodsnaveltok, dwergbijeneter en gewoon ekstertje. Ook de feeënhoningzuiger is van de partij en even later mogen ook de kleine honingspeurder en de waaliaduif worden bijgeschreven. We zien dat het bos goed is. Het wordt met hulp van westerse vogelorganisaties in stand gehouden: zo draagt het natuurtoerisme bij.

dag 14

Mangrove
Bij Banjul zijn opnieuw mangrovebossen te vinden en uitgestrekte wetlands. Ontelbare aantallen reigers zijn te zien. We zijn aangenaam verrast als ineens een grote groep dwergaalscholvers opdoemt. Ze zijn op jacht. Een fenomenaal schouwspel. Een pelikaan en diverse reigersoorten profiteren van de commotie. Even later zien we de reuzenijsvogel aandachtig van een draad in het water staren. Het houdt niet op. ’s Avonds proberen we bij Kotu nog de longtailed nightjar. Nadat we eerst een grijze wouw hebben gezien, wachten we in spanning af. Het succesverhaal wordt haast eentonig: als de kortdurende schemer invalt schieten ze ineens uit de bosjes omhoog. Fenomenaal. En niet één of twee, nee, talloze nachtzwaluwen vullen het zwerk.

dag 15

Violettte toerako
Dag 15 valt het slotakkoord. ’s Morgens nogmaals naar Abuko. Opnieuw bosbokken, Nijlkrokodillen en apen. De bonte ijsvogel is een ware stilist en een bevredigend object voor fotografen. Plotseling zie ik de violette toerako uit de struiken komen. Maar er staat nog meer op stapel. Er is zit nóg zo’n prachtig dier en die beginnen ineens achter elkaar aan te jagen. Een kleurig schouwspel, dat alleen maar hoogtepunten kent.

We lopen verder. Bij een tweede plasje ontvouwt zich een ander fascinerend tafereel. De zwarte reiger, ook wel paraplureiger genoemd, slaat telkens zijn vleugels uit alsof hij een theemuts wil voorstellen. De schaduw die hij daarmee maakt trekt visjes en insecten aan. Een geweldige vondst met een hoog artistiek gehalte. We zien ook een mangrovereiger en een hamerkop, die zich niets aantrekken van onze verrukking.

Dan roept de wekker dat het vliegtuig klaarstaat. Weer een perfecte dag in een perfect vogelland. Ik heb 247 soorten gezien (zie de soortenlijst) en ik neem afscheid van mijn vriend (nog steeds in 2012)  Ba Ba. Hij hoopt net als wij dat we spoedig kunnen terugkomen met reizigers: want dat is de impuls die Gambia nodig hard heeft om deze arme mensen met hun nog rijke natuur te helpen. We werken in 2012 ook nog altijd samen met Adama en Marakissa Rivercamp en met Tendaba.


tekst & foto’s in de Fotogalerij: Johan Bos (oprichter van Wild Natura Travels)

onderzoek: Marc Argeloo, Jeroen Verhoeff, Lieuwe van Welie en Johan Bos. Met dank aan gids Alex (Alaghie) Drammeh.

aanvullend onderzoek: Pa Modou Manka (Ba Ba)

bronnen toespraak Mamudu Wally (Department of Parks and Wildlife The Gambia) tijdens een conference over biodiversiteit in januari 2001 in Niger; NC-IUCN en toerisme (website Nederland: www.nciucn.nl website internationaal: www.iucn.org)