Gambia 04

The Gambia – verslag van een week vogels kijken

Onze gids Lieuwe van Welie geeft hier verslag van de enorme indruk die Gambia op hem maakte tijdens zijn eerste bezoek aan dit land.

Inleiding
Het idee om naar Gambia te gaan was voor mij zo’n vijf jaar eerder ontstaan. Door een vakantieverhaal van een kennis, die weliswaar niet voor de vogels was gegaan maar toch veel mooie soorten had gezien, was mijn interesse gewekt. Sindsdien was de wens om daar zelf naar toe te gaan, altijd op de achtergrond aanwezig geweest. Inmiddels heb ik diverse vogelreizen gemaakt, de laatste twee jaar met een min of meer vaste groep. Over een mogelijke volgende bestemming voor die groep werd veel gepraat maar nooit iets besloten. Toen ik voor mezelf besloot: ‘Ik ga naar Gambia, en als er iemand mee wil: welkom’ was er snel een aantal mensen die mee wilden. Uiteindelijk zou de groep uit de volgende personen bestaan: Oane Tol, Jan Kalsbeek, Rommert Cazemier, David Hoekstra, Piet Zuidhof, Huub Lanters, Sietse Bernardus, Roelf Hovinga, Bart Jan Prak en ondergetekende.

We besloten in week van 14 t/m 22 januari te gaan. Gambia is een toeristisch land, vooral in de winterperiode populair als zon-bestemming. Dat heeft als voordeel dat alles vrij makkelijk te regelen is. Je neemt een charter, inclusief hotel, en na zes uur vliegen stap je uit het vliegtuig en kun je gaan vogelen. Vanuit Nederland had ik wel een Transit bus geregeld en Jan had de gids Demba Joof Tallinding besproken. Dat gaf ons wat zekerheid en we wilden daar ter plekke niet teveel tijd verliezen met onderhandelen. We verbleven in het Badala Park Hotel bij de plaats Kotu: gunstig gelegen met een vogelrijke tuin, goed verzorgd en niet al te duur.

The Gambia is eigenlijk een 300 kilometer lange rivier, met een noord- en een zuidoever die samen maximaal 50 kilometer breed zijn. Het hele land wordt omgeven door Senegal. Het is een politiek rustig land, wat niet voor alle andere landen in die regio geldt. Gambia is zo’n mooi vogelland omdat je op een relatief klein gebied veel verschillende biotopen bij elkaar vindt: gras- en boomsavannen, kust, bos, moerassen en mangroves. Door het grote getijdeverschil zijn er veel slikplaten. Het land wemelt van de vogels, zowel wat betreft aantallen als verschillende soorten. In Gambia overwinteren een flink aantal van onze zomervogels, maar het is toch vooral een plek om kennis te maken met de rijke Afrikaanse avifauna. Je zou het als een bloemlezing kunnen zien, maar dan wel een overstelpende! Voor ons vogelaars uit het laagland zijn er hele nieuwe groepen te zien als Toerako’s, Baardvogels, Tokken, Glansspreeuwen, Wevers en Honingzuigers, en dan vaak in verschillenden soorten. En wat te denken van 10 verschillende soorten zwaluwen, 17 reigersoorten, 12 duivensoorten. Onze week in januari viel in het droge seizoen, dat grofweg van oktober tot juni loopt. Voordeel van deze periode is dat de bomen minder blad dragen, waardoor de meeste soorten zich beter laten zien. Een nadeel is dat de meeste soorten hun winterkleed dragen. Met name de wevers zijn dan moeilijker te herkennen. Je hoeft in Gambia niet ver te reizen om veel te zien, in feite zou je kunnen volstaan met een week doorbrengen in het westelijk deel. Wij zijn één nacht naar Tendaba geweest, zo’n 150 kilometer landinwaarts, onder andere voor de uitgestrekte mangroves daar, en de roofvogels onderweg.

In dit verslag zal ik per dag vertellen over de plaatsen waar we zijn geweest en de leukste soorten die we hebben gezien.

Maandag 14 januari: de heenreis en de eerste vogels rond het hotel
De reis begon die zondagnacht, toen ik om 1.00 werd opgehaald door chauffeur Lucas Kenter, die ons in zijn bus naar Schiphol zou brengen. Ons vliegtuig van DutchBird vertrok om 6 uur `s ochtends vanaf Schiphol. Na een doorwaakte nacht in de bus en op het vliegveld werd de vlucht gebruikt om nog wat bij te slapen. Met één uur tijdsverschil (= vroeger) landden we om half 12 op het vliegveld van Banjul. De landing, het eerste contact met het land van bestemming, is bij zo’n vogelreis een belangrijk moment: wat zal de eerste indruk zijn van het land, wat zullen de eerste vogels zijn die je ziet. Nog voor het vliegtuig de grond had geraakt waren de eerste Schildraven en Kapgieren al gezien. We verdrongen ons voor de kleine raampjes, en er werd zelfs een Zwartkopreiger gezien. Eenmaal buiten het vliegtuig viel de warmte over ons heen, en we wisten niet waar we moesten kijken: vooral de vele Kapgieren waren prachtig. Ook de eerste Zwarte Wouwen (Afrikaanse ondersoort met gele snavel), Roodkeelzwaluwen, Koereigers en Gespikkelde Duiven werden gezien. De bus stond klaar om ons naar het hotel te brengen, en al die wacht-minuten voor het vertrek duren dan veel te lang: we willen eruit! Toch was het niet verkeerd wat we vanuit de wachtende bus zagen: Roodbuikhoningzuiger, Feeënhoningzuiger en de door slechts een paar mensen waargenomen Witruggieren. De verwachting dat ‘we die wel veel meer zouden gaan zien’ kwam in dit geval niet uit, het zouden de enige zijn die we deze week zouden zien. Vanuit de rijdende bus zagen we het eerste echte Gambia: roestige golfplaten, arm, stoffig, droog, oude auto’s, maar de meeste mensen waren opvallend mooi en netjes gekleed. Vogels: de eerste Sahelscharrelaar en Afrikaanse Palmgierzwaluwen: een fijngebouwde lichtgekleurde gierzwaluw. De medereizigers, meest zonaanbidders, bekeken ons wat meewarig: we toonden geen enkele interesse in het standaardverhaal over de fooien in Gambia van onze ‘host’, we hadden het veel te druk met kijken en de ene na de andere vogelnaam werd enthousiast door de bus geroepen.

Bij het hotel moesten we eerst zorgen dat we onze kamers kregen, en voor ons gestresste vogelaars ging dat allemaal wel erg GMT: Gambia, Maybe Tomorrow! Toen we allemaal gestald waren, gingen we rondlopen bij het hotel. Op de bonnefooi, tussen wat struiken en bomen door. Ik wist niet wat me overkwam: ik zag de ene na de andere nieuwe soort. Een greep: Roodoogtortel, Blauwfazantje, Sahelbabbelaar, Groene Kakelaar, Roodsnaveltok, Palmtortels en Vuurvinkjes (zo klein en zo mooi zagen we ze nog niet). Vlakbij het hotel bleek ook een vijver te zijn, bijna geheel bedekt met Waterlelies. Ook daar veel moois: een Spoorwiekgans, een zonnende Afrikaanse Dwergaalscholver, een zich verstoppend Zwart Porceleinhoen, Senegalese Spoorkoekoek en een Middelste Zilverreiger. Hoogtepunt op die plek vond ik de Lelielopers, een jacana-soort. Deze vogels zijn zo ongelooflijk mooi, met de oranjebruine rug en zwart-wit-blauwe koptekening, en de enorme lange tenen. Doorlopend vanaf die plas kwamen we bij wat droge rijstveldjes tussen de palmbomen. Daar was een overvloed aan reigers: Zwartkopreiger, Zwarte Reiger, Ralreiger, Kleine-, Middelste- en Grote Zilverreiger. De eerste Grijze Torenvalk en een Roodkopsmelleken vlogen voorbij, en in het dorre gras zaten groepjes Gewone Ekstertjes, een van die extreem kleine Afrikaanse vogelsoorten. We hadden nu een half rondje om het hotel gelopen, en namen een korte pauze, om de vele nieuwe indrukken enigszins te verwerken. Maar al snel gingen we weer, nu naar de dicht bij het hotel gelegen Kotu Stream en de Fajara Golf Course, beide bekende plekken uit de reisverslagen over Gambia. De eerste nieuwelingen onderweg waren de sociale Piapiacs en de Grijze Bananeneters, die luistert naar de mooie Engelse naam Western Grey Plantaineater. We zouden beide soorten nog veel vaker zien. Bij de rivier de Kotu aangekomen waren er eerst de talrijke Bonte IJsvogels. Op de slikranden zaten Zilverplevieren, Steenlopers, Rosse Grutto’s , Oeverlopers, Wulp en Regenwulp, en Bontbekplevieren, voor ons geen onbekenden. Nieuw en prachtig was de Lelkievit, en na de eerste ontdekte Senegalese Griel bleken er veel meer van die gecamoufleerde prehistorische vogels te zitten. Her en der ontdekten we Westelijke Rifreigers, allemaal van de donkere fase. De Teugelijsvogel was een van die tot de verbeelding sprekende vogels, met kleuren zoals ik die nog niet eerder had gezien. In de verte zat een grote groep Grijskopmeeuwen. Zo kwamen we aan bij de golfbaan: velden met kort, droog gras, omgeven door oude hoge bomen. De Engelse invloeden waren hier nog duidelijk zichtbaar. Daar ontdekten we twee Zwartkopkieviten, en de eerste van vele Blauwbuikscharrelaars. Wijntortels waren talrijk, en de prachtige Kleine Bijeneters lieten zich mooi bekijken. Andere mooie soorten waren de Zwartbandbaardvogels en Bonte Boertjes, een kleine papegaai. Een jongen liet ons een Geparelde Dwerguil zien. Het geluid van deze kleine uil hebben we nog vaak nagedaan: het lokte allerlei zangvogels die wel een partijtje wilden gaan pesten. Majestueus was een adulte Kaalkopkiekendief, die vlak over ons heen vloog. De eerste Hamerkop zagen we rustend in een boom, Geelsnavelklauwieren bleken talrijk, Barbarijse Francolijnen vlogen op, Bontvleugelzwaluwen vlogen bij een brug, Halsbandparkieten, een grote groep Witwangfluiteenden vloog over en landde op een vijver, een Pelioslijster bij het hotel, te veel om op te noemen. Zo eindigde onze eerste vogeldag. We hadden slechts vijf uren gevogeld, en ik had al meer dan vijftig nieuwe soorten gezien. We aten en dronken, veel, die avond bij het hotel. De man met wie ik in Nederland het busje geregeld had, zou ons bij het hotel komen opzoeken. Dat deed hij ook, maar de beloofde bus bleek nog niet klaar, en ter vervanging bood hij ons een open Landrover aan. We zagen het niet zitten om bij elkaar op schoot te moeten gaan zitten, en dan ook nog stof te eten. Dus, dat ging niet door. Onze vogelgids, Demba, ontmoetten we ook die avond. Een kleine, vriendelijke jongeman, en Official Tourist Guide. Vanaf dinsdag zou hij met ons meegaan, en hij zou ook wel een busje regelen.

Dinsdag 15 januari. Kotu Stream, Fajara Golf Course en Casino Cycle Track
Vandaag zouden we weer in de buurt van het hotel gaan wandelen, maar nu samen met Demba. Via een ander stuk met rijstveldjes en palmen dan de dag ervoor zouden we weer naar de Fajara Goulf Course gaan. De gids voorop, wij in een sliert erachteraan. Vlak buiten het hotel, we waren nog geen honderd meter op weg, zagen we de eerste Roestflankprinia’s (de Engelse naam is mooier: Tawny-Flanked Prinia). In een palm ontdekte Demba een Hagedisbuizerd: een mooie kleine roofvogel, overwegend grijs, fijn gebandeerde buik, met een kenmerkende zwarte streep op de keel. De Shikra’s hadden we gister ook al gezien, maar deze lichte sperwer liet zich vandaag pas echt mooi bekijken. En natuurlijk zaten overal verschillende reigersoorten, Grutto’s, er hing altijd wel ergens een Kapgier in de lucht, genieten dus! Demba wees ons een Izabeltortel aan, de African Collared Dove. Opdat moment namen we dat voor waar aan. Achteraf gezien hadden we dit zelf moeten checken. Sommige meldingen van Demba bleken later discutabel, en dit was voor de meesten de enige Treurtortel van de trip. We kregen een boom te zien met nesten van de Witsnavelbuffelwever, een grote wever, die ook in deze tijd van het jaar goed herkenbaar is. Vijf Groene Langstaartglansspreeuwen vlogen over, en erg mooi was de Goudkapfiskaal. Twee knallend rood-zwart-geel gekleurde exemplaren lieten zich mooi zien. Op de golfbaan zagen we onder andere de Grijze Tok (een paar), Graszangers, Grote Textorwevers een van de meest talrijke soorten) en Roodbuik- en Feeënhoningzuigers. Onze eerste Grijsgroene Specht zat lange tijd stil in een boom. Bijzonder vond ik ook de Gambiapoederdonsklauwier, die even bovenin een struik zat. Verder zagen we Zwartkapbabbelaars en Sahelbabbelaars. Teruglopend naar het hotel was voor mij een van de hoogtepunten de Wielewaalzanger. Deze vogel schijnt zich moeilijk te laten zien, maar twee vogels zongen voluit, en even zelfs op een open zangpost. Op diezelfde plek zat een Geelvoorhoofdketellapper, en enkele Roodkruinzwaluwen vlogen rond.

Na een korte pauze met koffie in het hotel gingen we weer, en nu weer een andere kant uit. Net op weg vlogen er drie Heilige Ibissen over ons heen, nu eens geen escapes! Onze derde soort honingzuiger was de Ornaathoningzuiger. De meeste honingzuigers zijn vrij luidruchtig en niet moeilijk te vinden. In de struiken langs het pad vanuit het hotel zaten veel kleine vogels: Orpheusspotvogel, Senegalese Krombek (een soort staartloze oranje Boomklever), Napoleonnetje, en ook een Zwartsnavelduif, een mooi klein duifje.

Het was inmiddels rond het middaguur, en behoorlijk warm. De lucht was afgeladen met Kapgieren, met een enkele Zwarte Wouw. Daartussen ontdekten we nog een Lannervalk en een Grijze Wouw. We besloten terug te gaan naar het hotel om aan het eind van de middag gezamenlijk in de richting van de kust te gaan, om in de schemering te zoeken naar nachtzwaluwen. Tot die tijd ging we in wat aparte groepjes uiteen. Samen met Jan en Roelf ging ik naar de vijver bij het hotel, waar we de dag daarvoor ook al waren geweest. We wilden daar even rustig gaan zitten en maar wachten wat er ging gebeuren. Dat leverde een Breedbekscharrelaar en de enige Stippelspecht van de reis op.

Om 5 uur gingen we weer met z`n allen op weg langs het Casino Cycle Track, wat doodgewoon een zandpaadje is. In eerste instantie gingen we naar een gebied met rijstveldjes waar we de Geelkeellangklauw konden verwachten, een soort gouden pieper. Met z’n allen kamden we een vrij groot gebied uit, maar de vogel bleek jammer genoeg onvindbaar. Wandelend kwamen we in het kustgebied uit, zanderig met wat begroeide duinen: Kotu Point. Rustig wachtend op de schemering zagen we de eerste Roodkruinscharrelaar, twee Rood-gele Baardvogels en een Senegalese Drongovliegenvanger. Voor mij een mooie plek met een mooie sfeer, zeker ook omdat we even over de zee konden kijken. Daar vlogen Dwergsterns, Visdiefjes, een Reuzenstern, een Geelpootmeeuw en een Jager, waarover nog lang gepraat werd: Kleine of Middelste? Ik dacht zelf aan een Middelste Jager.

De schemer begon te vallen, het werd steeds stiller, en dan sta je te wachten: nu moet het gebeuren? Demba liep wat struiken in, zei ons dat we op moesten letten, en jawel, op het moment dat je het niet verwacht is daar de eerste: een Mozambikaanse Nachtzwaluw, de Long-Tailed, en dat was goed te zien. We hoopten eigenlijk vooral op de Standard-winged, de Viervleugelnachtzwaluw, de soort met die lange sierveren. Ook die kregen we te zien, eventjes maar, maar wel heel bijzonder. Demba claimde nog een Plain Nightjar, maar daar waren we uiteindelijk niet van overtuigd. Het vrouwtje van de Viervleugel heeft eenzelfde vliegbeeld, en het wit op de vleugel was moeilijk te zien.

Zo eindigde de tweede dag. We aten in een restaurant vlak bij het hotel, beter dan de dag daarvoor. Daar zouden we de rest van de week zoveel mogelijk aan vast houden. Wat ik heel bijzonder vind is dat je je na twee dagen al zo thuis voelt in de vogelwereld van je reisbestemming. In de voorbereiding thuis heb ik eindeloos ‘A Field Guide to Birds of The Gambia’ doorgenomen, en wel acht reisverslagen van het internet gehaald. Je probeert je van te voren een voorstelling te maken van het land en van de vogels, maar het blijft ver weg. Vanaf het moment dat ik uit het vliegtuig stap, beginnen alle puzzelstukjes op hun plaats te vallen. Al snel voelt het als bekend dat er overal Kapgieren zweven, en wist ik dat die stipjes in de verte Schildraven zijn, het klopt allemaal. Vanaf dat moment ben ik ook echt in the Gambia.

Woensdag 16 januari: Abuko en Lamin Lodge
Hoofdprogramma voor vandaag was Abuko, een officieel Nature Reserve. Het is een restant oerbos, Gambia moet er vroeger veel meer van hebben gehad. Het reservaat is eigenlijk maar klein, maar toch is het een plek waar je een aantal bijzondere soorten kunt aantreffen. Het is niet vrij toegankelijk, je moet entree betalen. Om half acht stond er een busje inclusief chauffeur voor ons klaar bij de ingang van het hotel. Demba had dit geregeld. De chauffeur heette Essa, een breedgeschouderde en goedlachse vent. De rit naar Abuko bracht ons door de ontwakende hoofdstad Serrakunda. Lange straten met kleine vierkante huisjes, soms meer hutjes. Hier werden we ons bewust van het belang van een gids: in deze wirwar zouden wij nooit onze weg hebben kunnen vinden. We waren al snel bij het park, en terwijl langs het hek reden, zagen we de eerste apen al in de bomen zitten. Nadat de entree was betaald, liepen we het dichte bos in. Al na enkele meters was er het eerste moois: een Roodbuikparadijsmonarch, ofwel Red-bellied Paradise Flycatcher, was op onnavolgbare wijze aan het jagen. Even stil op een tak, en dan schoot-ie door de lucht achter een insect aan, om weer op een andere tak te landen. Bijna in dezelfde boom ontdekte Demba een Bruinkeellelvliegenvanger en een paartje Gambiapoederdonsklauwier. Prachtige vogels, prachtige namen, toch liepen we snel weer door, want we werden bijkans levend geconsumeerd door mieren. Al snel kwamen we op een plek waar we wel rustig konden kijken: een klein meertje met een kijkhut met twee verdiepingen. Een van de mooiste plekjes deze trip. Het begon met de Afrikaanse Reuzenijsvogel, prachtig te zien, zittend op een tak. Wat een beest! Rond het meertje zaten de bomen vol met Zwartkopreigers, met daartussen een enkele Kwak. Op de kant zat een Mangrovereiger, en een Hamerkop vloog af en aan met nestmateriaal. Fantastisch waren de Slangehalsvogels, er zat een hele groep bij elkaar. Een Shikra vloog langs, een Afrikaanse Fanteekamzwaluw vloog langs, een Bruine Kiekendief, en ons eerste paar Bonte Tokken liet zich zien. Ik genoot er vooral van dat we hier rustig konden kijken, het was er ook rustig. De krokodillen waren trouwens ook rustig. Even verderop was nog een kijkhut, maar deze leek bedoeld om eenieder een gebroken rug te bezorgen. Vlak voor de hut hadden we een zich verstoppende Witkruinlawaaimaker en een Blaatcamaroptera gezien. Voor de hut stond een Bosbok te grazen, en vanuit de hut was de sensatie een Groene Toerako, slecht gezien door slechts een paar van ons. Toen we de hut uit kwamen kregen we die vogel onverwacht weer te zien, maar nu mooi, zittend in een boom, vlakbij. Prachtig was het toen bleek dat in diezelfde boom ook een Violette Toerako zat! Echt geweldig mooi gekleurde vogels, vooral het rood in de vleugels knalde eruit. En het hield niet op. Onder het wandelen zagen we o.a. Maskerwevers, Groene Buulbuul, Zwartnekwevers, Lavendelastrild en Geelborstapalis. Mooi was ook de Afrikaanse Dwergijsvogel, echt een kleintje, midden in het bos. We kwamen langs een vijgenboom, die rijpe vruchten droeg. Die boom was afgeladen met Bananeneters, Groene en Violette Toerako’s , Grauwe Buulbuuls, en onze eerste Afrikaanse Wielewaal. Het eerste deel van onze wandeling door Abuko eindigde bij een klein dierentuintje in het centrum van het park. Het was inmiddels al behoorlijk warm, en we konden hier even rusten en vooral veel drinken. In aftandse kooien lagen enkele Leeuwen en Hyena’s te.., ja wat eigenlijk? Ik werd er niet bepaald vrolijk van. De apen die we in het bos zelf zagen (veel Groene Meerkat en een paar Rode Colobus) waren veel mooier. Er waren op dat moment behoorlijk veel Kapgieren in de lucht, en daartussen ontdekte ik een Afrikaanse Zwarte Kuifarend, en Rommert zag de eerste Kleine Pelikaan. Na deze pauze liepen we verder, nu door een ander deel van het bos: ik herinner me vooral de hitte en het sjouwen. Nieuwe soorten onderweg: Bandvink, Hop, Staalvlekduif en (in Marokko lang gezocht maar niet gevonden) Savannearend: twee exemplaren.

Na dit oerbos was er nog tijd over, en Demba wilde naar Lamin Lodge, een plaatsje aan de oostkust, met uitgestrekte mangroves. Na een korte rit stonden we op een houten steiger uit te kijken over zee, waar op een paar Grote Sterns en Groene Bijeneters in de verte na, niet veel vloog. Oane maakte nog even snel contact met een stel Friezen die daar met hun zeilboot voor anker lagen, mar ik wit net wat er sein hat. We besloten te gaan lopen tussen de akkers door. Veel ‘klein spul’, met onder andere Mozambiquesijsjes, Oranjekaakjes, Cordon Bleus, Grijskopmussen en Roodvoorhoofdwevers. Vanuit de schaduw onder een boompje zagen we een Visarend boven zee vliegen. Gespikkelde Duiven, Bonte Tokken, een Grijze Wouw, Zwartbandbaardvogels kwamen langs. Op de terugweg zagen we twee Bruinrugpiepers. Moe van de hitte stapten we in de bus. Vanuit de rijdende bus werd de eerste Donkere Zanghavik ontdekt, bovenin een acacia, een mooie roofvogel die hoog op mijn verlanglijstje stond. Onderweg werd nog gestopt in een dorpje, waar Demba ons een goed verstopte Witwangdwergooruil aanwees.

Terug bij het hotel gingen een paar fanatiekelingen nog even naar de brug over de Kotu, om te zoeken naar de Malachietijsvogel, die daar eerder was gezien. En inderdaad, mooi te zien! Met twee jagende Roodkopsmellekens kwam deze overweldigende vogeldag ten einde. We aten een slechte maaltijd aan de rand van het zwembad van het Badala Park Hotel, veel koel bier helpt dan enigszins. Toch maar liever het restaurant van de dag daarvoor. Behoorlijk afgepeigerd.

Donderdag 17 januari: Brufut Woods, Tanji en Bund Road
Ook vandaag stond er een reservaat op het programma: Brufut Woods. Bij het dorp Brufut liggen deze bossen en bosschages, minder oud en minder hoog als in Abuko. Het uitzicht is daarom beter. Net als gister was er het bekende patroon: direct om 7 uur een stevig ontbijt met koffie, stokbrood, kaas, jam en meloen, en om half 8 gereed staan voor vertrek. Voor achten waren we al t.p., en ik vond die ochtendsfeer prachtig: Gambia ontwaakt in een mooi geel licht. Bij de ingang van het park was er al veel te zien: Bonte- en Grijze Tok, Afrikaanse Wielewaal, een Fluweeldrongo en twee Afrikaanse Papegaaiduiven bovenin een boom. We wandelden vervolgens rustig het park in, genietend van verschillende Honingzuigers, een Groene Toerako, Zwartkap- en Sahelbabbelaars, Orpheusspotvogels en de door Roelf ontdekte Nachtegaal. We zagen flitsen van de Zwartnekwever en een Groenrugeremomela, maar een Geelkraagbuulbuul (Yellow-throated Leaflove) liet zich beter bekijken. Uiteindelijk kwamen we op een wat meer open stuk met gesnoeide struiken. Hier schuifelden we voort, wachttende op wat komen ging. Volgens Demba was er kans op een Gestreepte IJsvogel. Die kregen we hier niet te zien, maar er was wel een Lannervalk die zich fraai liet bekijken, een Dwergmaskerwever (Bart Jan: ‘what a Little Weaver…’, Roodgele Baardvogels, en de Grijze Bananenkaners en Roodsnaveltokken waren talrijk. Enkele Gierzwaluwen hielden ons nog even bezig: we zagen in ieder geval de gewone en Huisgierzwaluwen. Ook de cisticola´s waren spannend: de Graszanger was zeker, en of we ook een Rosse Graszanger hebben gezien, zullen de foto’s van David later uit moeten wijzen. Hier liet Demba het enigszins afweten. Op enig moment zei hij een Croaking Cisticola te horen, die grote graszanger. Hetzelfde geluid bleek even verderop van de vermoedelijke Rosse afkomstig. Demba was goed als het om de zich verstoppende bosvogels ging, in combinatie met geluid, zoals bij de Lawaaimakers. Het wordt overigens aangeraden om bij iedere gids zelf ook zoveel mogelijk te checken. Op de terugweg vanuit Brufut kregen we overigens de Gestreepte IJsvogel wel te zien, een goede actie van Demba. De vogel speurde vanuit een boom het droge gras af naar prooi.

Een volgende stop was bij Brufut Pool, een plasje omringd door hoge bomen in een overigens zeer droog gebied. Onze vogels van plas en moeras waren hier: Koereiger, Kwak, Purperreiger, Afrikaanse Slangehalsvogel en Afrikaans Porceleinhoen. Voorts: Groene Langstaartglansspreeuwen (schitterend en luidruchtig), Hagedisbuizerd, Gewoon Ekstertje en Geparelde Dwerguil. Inmiddels vlogen er heel wat roofvogels, en een wenssoort van mij werd tussen de vele Kapgieren ontdekt: de Kleine Grijze Slangenarend! Andere rovers: Slangenarend, een adulte plus juveniele Kaalkopkiekendief en nog een Savannearend.

Tanji is de plek in Gambia als het gaat om zeevogels, en het lag niet ver van Brufut. Vanuit de groep was er de wens om even over zee te mogen kijken. Demba bracht ons naar het strand bij het dorp, nog niet het echte Tanji Reserve. Toch kregen we even de gelegenheid om te genieten van de meeuwen en sterns: Kleine Mantelmeeuwen, veel Grijskopmeeuwen, een Dunbekmeeuw, Reuzensterns, Grote Sterns en jawel, enkele Koningssterns: mooi! Verder zagen we op het strand Drieteenstrandlopers, Rosse Grutto’s, Bontbekplevieren en Steenlopers. Van hieruit wilden we naar de Bund Road, om naar steltlopers op de slikken te kijken. Onderweg zouden we nog wat korte stops maken, een eerste bij Camalo Corner. Hier kregen we Napoleonwevers te zien. Even verderop konden we op het dak van the Pumping Station klimmen, vanaf dit gebouwtje hadden we een goed uitzicht over zee. Het was als het ware het begin van de Bund Road, de verhoogde weg die langs de slikken naar Banjul loopt. Vanaf dit dak zagen we: veel Bonte IJsvogels, een jagende Afrikaanse Dwergaalscholver, veel Westelijke Rifreigers, Senegalese Spoorkoekoek, een Duinpieper en 13 Heilige Ibissen. Mooi was de Lachstern, die zo’n beetje onder ons door vloog.

Bij de Bund Road, vlak voor Banjul, bleek het nog hoog water te zijn. Toch even kijken, voordat we dan nog even naar het strand bij Banjul zouden gaan. Veel mooie meeuwen bij de Bund Road, vooral de Dunbekmeeuwen, licht rose in vers kleed vond ik schitterend. Veel Grijskop-, een enkele Kok- en een Zwartkopmeeuw. Een grote groep van zo’n 90 Dwergaalscholvers vloog langs, en Kleine Pelikanen waren vlakbij. Er zwom een Kleine Flamingo. Veel Westelijke Rifreigers, tot nu toe zagen we alleen de donkere fase, maar hier was ook één wit exemplaar.

Banjul dus, waar we vanaf het strand naar jagers zouden kijken. Lopend over het strand liep er groep mensen met ons mee, van wie sommigen wel heel nadrukkelijk onze telescopen wilden dragen. Demba stuurde ze met een woord en een dodelijke blik weg. Jagers dus: ze vlogen er inderdaad. We zagen ze al van ver aankomen, voordat ze zich in een grote groep meeuwen en sterns storten. Kleine Jagers in ieder geval, en volgens sommige een Middelste, al was niet iedereen uit de groep het daarmee eens. We gingen weer terug naar Bund Road, waar het wad nu inderdaad droog viel. We zagen Krombek-, Kleine-, Drieteen- en Bonte Strandlopers, Kluten en Zilverplevieren, en natuurlijk de grote groep meeuwen en sterns. Als meeuwengek kon ik mijn ogen er niet van afhouden. De groep was al bijna ingestapt in het busje, toen ik de eer had een Franklins Meeuw te ontdekken. Eerst twijfelde ik, want door het strijklicht leek de vogel niet veel donkerder dan de Grijskopmeeuwen. Toen ik David alarmeerde, en hij de rest van de groep, verdween die twijfel echter al snel. Een adult winter Franklins Meeuw, en dat in Gambia! Wat een sensatie! Demba kende de vogel niet en wist van geen waarnemingen in Gambia. Tot we terug kwamen in Nederland gingen we ervan uit dat het om de eerste waarneming voor Gambia ging (achteraf bleek het de derde voor Gambia, waarvan één een gemengd broedgeval met een Grijskopmeeuw, en de achtste waarneming voor heel Afrika). Nagenietend van dit hoogtepunt smaakte het eten in het inmiddels bekende restaurant bij de buren ons meer dan prima.

Vrijdag 18 januari: Mandinaba, Pirang, Ndemban en Tendaba Rice Fields
Het plan was om vandaag naar Tendaba te gaan: een plaatsje aan de rivier, zo’n 100 km rijden. Daar zouden we kans maken op onder andere Afrikaanse Zeearend en Witrugkwak. Meer en andere roofvogels zouden we vooral onderweg tegen gaan komen, verder landinwaarts. Verder zouden we Pirang aan kunnen doen, voor de Kroonkraanvogels. In Tendaba zouden we overnachten, Demba had dat inmiddels geregeld. De volgende dag zouden we een boot huren voor een tocht door de mangroves. Het ochtendritueel was bekend, en ook de vogels waarmee we wakker werden. Vaak riep er een Geparelde Dwerguil, altijd Village Weavers en iedere ochtend zagen en hoorden we een Teugelijsvogel bij de ingang van het hotel. Inmiddels waren we ook gewend aan Essa en Demba, het busje met toch niet al te veel ruimte, altijd moesten twee mensen op een soort van uitklapstoeltjes zitten, het voelde allemaal al vertrouwd. Een eerste door onze gids geregisseerde stop was bij Mandina Ba. Daar moesten we een klein stukje lopen om de Hadada-ibis te zien te krijgen. En inderdaad, al snel werden de plompe vogels ontdekt, uiteindelijk 4 exemplaren. Eerst verstopt in het gras, maar nadat ze wat sloom naar een boom waren gevlogen waren ze beter te zien. Verder zagen we hier nog drie Rotspatrijzen, grappige kippen inclusief opstaand staartje. David ontdekte nog een Afrikaanse Zwarte Kuifarend, zittend in een boom. Net als op andere plekken kwamen ook hier Gambiaanse kinderen achter ons aan, en liepen met ons mee. Standaard vragen als ‘what’s your name?’ en ‘where you’re from?’, ook hier. We waren er voor gewaarschuwd, als zijnde lastig. Toch vond ik het zelf nooit vervelend. De meeste kinderen en ook volwassenen waren vriendelijk, geïnteresseerd. En als je er even geen zin in had, en dat gewoon zei, was dat ook prima. Ik haal dit hier aan, omdat op deze plek een jongen vroeg of hij met me mocht corresponderen, om zijn Engels te oefenen. Inmiddels hebben we wat brieven gewisseld.

Terug naar de vogels. De tweede stop vandaag was bij Pirang, een gebied met grote droge ‘bakken’ van een voormalige garnalenkwekerij. We kwamen daar op precies het goede moment, want we stonden nog maar net naast de bus, toen drie Zwarte Kroonkraanvogels aan kwamen vliegen, en een eindje van ons af landden. Overbekend van dierentuinen enzovoort, maar dit was toch wel even anders, echt prachtige vogels. Nadat ze een poosje hadden gefoerageerd, vlogen ze weer even een stukje, en konden we ze dus weer in de vlucht bekijken. De bakken waren opgedroogd, op enkele kleine plasjes na. Boven een van deze plasjes vlogen Roodkruinzwaluwen, Huiszwaluwen, maar vooral: vier Moskeezwaluwen. Ook hier: wat een prachtige vogels, zwaluwen bijna zo groot als valken! Lopend over de dijkjes, langs de plasjes en door droge stukken hoog gras werden nog de volgende soorten opgemerkt: Kuifleeuwerik, Gele Kwikstaart, Napoleonwever, Bokje, Tapuit, Rietzanger, Blauwborst en Graszanger. Na enig zoekwerk kregen we uiteindelijk ook de Kwartelastrild mooi in beeld.

Een volgende stop werd gemaakt bij Ndemban, een vochtige rivierbedding. De rivier stelde op dit moment weinig voor, maar in de bedding zouden zich Goudsnippen ophouden. Die soort kregen we niet te zien, maar wel een groep Kapgieren aan de grond, en de eerste twee Boababgierzwaluwen vlogen over. De eerste Geelsnavelossenpikker werd ontdekt op de rug van een koe. Later zouden we daar nog veel meer van zien, tot wel 14 bij elkaar. In de verte stond een Goliathreiger, echt een reuzenreiger. Daarbij vergeleken was de Manrovereiger een dwergje. Volgens Demba was het het verkeerde moment van de dag voor de snippen. Het was ook druk op de weg, waar ook wij langs waren gekomen. De plaatselijke school was kennelijk net uitgekomen, want tientallen schoolkinderen liepen over de weg, en waren uiteraard zeer geïnteresseerd in wat wij daar deden. Nadat we klaar waren met zoeken naar de snippen en wilden vertrekken, wilde ik aan een groepje kinderen de pennen uitdelen die ik had meegenomen uit Nederland. Ze liepen met me mee naar de bus, en op het moment dat ik het schrijfgerei uit m’n rugzak haalde, werd ik bedolven onder een lawine van kinderen. Demba griste de pennen uit mijn hand, schreeuwde de kinderen weg, en gaf het bundeltje aan Essa. Die zou wel niet zo snel omver worden gelopen. Terwijl hij de pennen omhoog hield liep hij weg van de bus, met alle kinderen om hem heen. Nadat de laatste pen was uitgedeeld was het snel vertrekken, met nog een enkele schreeuw.

Onderweg waren er veel roofvogels te zien. Regelmatig waren er Kaalkopkiekendieven, Donkere Zanghavikken, Shikra’s, Palmgieren en Hagedisbuizerden. De Zwarte Wouw was talrijk. Nieuw waren de Sprinkhaanbuizerd en de Bateleur. Van de laatste kregen we er in totaal drie te zien, jammer genoeg telkens maar even. Nog een stop werd gemaakt om even goed de lucht af te kunnen speuren. Een Wahlbergs Arend vloog over, en er was enige onduidelijkheid over de grote donkere gieren die we over zagen komen. Demba zei dat het Ruppells Gieren waren, maar de vlekken op de vleugeldekveren zoals afgebeeld in de gids waren niet te zien. Terugredenerend en na meer literatuur te hebben geraadpleegd blijkt hij toch gelijk te hebben gehad: juvenielen zijn donker en missen de vlekken. Ook vloog er een mogelijke Afrikaanse Nimmerzat over, maar deze vogel vloog erg hoog en we hadden op dat moment meer aandacht voor de gieren. Later kregen we wel heel mooi en heel duidelijk twee Vale Gieren te zien, vlak over ons heen. In Gambia is dit een schaarse soort. Voordat we bij Tendaba aankwamen maakten we nog een noodstop voor een paartje Senegalese Vliegenvangers en ontdekte Piet vanuit de bus een stelletje Vierbandzandhoenders

Aan het einde van de middag bereikten we Tendaba. Het hotel, of beter gezegd: het kamp, keek mooi uit over de brede en stille rivier the Gambia. We kregen onze tweepersoonskamers aangewezen, die hier waren ingericht op het buitenhouden van muskieten. Horren voor de ramen, muskietennetten en ’s avonds werden de kamers bespoten. Na de toch wel lange autorit namen de meesten van ons even een snelle douche. Er was even tijd om niets te doen. Op het terrein zelf hadden we al Staalvinken gezien, en vanaf het terras van het restaurant had David een Afrikaanse Zeearend in zijn telescoopbeeld. Nog ver weg, een donkere stip met witte vlek, voor een enkeling van ons niet voldoende om voor te lopen. Later zou dat wat spanning opleveren, want we hebben er de volgende dag nog slechts een exemplaar gezien, en ook pas aan het einde van onze boottocht. We hadden ze veel talrijker verwacht. Voor het avondeten wilde Demba ons nog een wandeling laten maken door de rijstvelden, grofweg parallel aan de rivier. Dat werden nog twee vruchtbare uurtjes. Vlak buiten het kamp zagen we de eerste Zwaluwstaartbijeneters. Overal zaten Groenrugeremomela’s, er was een Fluweeldrongo en een Sahelscharrelaar werd even voor een gewone Scharrelaar aangezien. Mooi en vooral apart waren de Helmklauwieren, we zagen een groep van negen vogels bij elkaar. Een voor een vliegen ze achter elkaar aan. De Kleine Rotsmus (Bush Petronia) zagen en hoorden we op verschillende plekken. Twee Gestreepte IJsvogels zagen we baltsen in een boom. Opmerkelijk waren de grote hoeveelheden Glansspreeuwen die we zagen, met voor ons de derde en nieuwe soort: Blauwoorglansspreeuw. Kennelijk verzamelden ze zich om te gaan slapen. Sietse draaide regelmatig een bandje af met daarop de roep van de Geparelde Dwerguil. Dat leverde een bijzondere waarneming op: White-shouldered Black Tit. De Nederlandse naam ‘Ruppells Mees’ konden we pas thuis opzoeken. Deze soort waren we niet in andere verslagen tegengekomen.

De maaltijd ’s avonds was heerlijk: een uitgebreid lopend buffet geserveerd door mooie Gambiaanse dames. Een van hen, Fatima, had zo’n mooi kapsel… de volgende dag mocht ik haar fotograferen.

Zaterdag 19 januari: Boottocht Tendaba, Airfield en Ndemban reprise
Belangrijkste programmaonderdeel voor deze dag was de boottocht over de Gambia en vooral door de kreken in de mangroves. We zouden direct na het ontbijt vertrekken. Oane en ik hadden nog een mooie waarneming vanaf het terras voor onze hotelkamers: een West- Afrikaanse Dwergsperwer vloog voor ons langs. De rode buik en oksels waren goed te zien met het licht in de rug. Samen met enkele andere reizigers vertrokken we in de boot, over een spiegelgladde rivier. Het licht van de opkomende zon was prachtig. Boven de rivier vlogen Reuzensterns, Lachsterns, Kleine Pelikanen en enkele Visarenden. Vlak voor we de eerste kreek binnengingen, voeren we langs een groep Kleine Pelikanen en een groep Afrikaanse Lepelaars. In de kreek zagen we al snel de eerste Bruine Honingzuigers. Ook zagen we hun kleine nesten, hangend in takjes boven het water. Er waren diverse Teugelijsvogels, en de Malachietijsvogels lieten zich nu echt mooi zien. Boven ons zaten Slangehalsvogels in de bomen, en er waren veel Westelijke Rifreigers. In totaal zagen we vier Goliathreigers. Eén vloog telkens kleine stukjes voor ons uit. Op de slikrandjes Groenpoten en Oeverlopers. Mooi waren de Waaliaduiven, onze tweede groene duif. De boot moest even terug voordat iedereen ze had gezien. Een Grote Honingspeurder riep ons, en op een andere plek kregen we uitzicht over een open veld, waar enkele Bisschopsooievaars foerageerden. Regelmatig kwam de lange boot even vast te zitten in een bocht van een kreek. Door wat heen en weer te schudden kwam de boot dan ook weer makkelijk los.

Halverwege de tocht gingen we even aan land, nadat we vakkundig de aanlegsteiger hadden geramd. Twee stappen uit de boot zagen we in de verte een Bruine Slangenarend in een boom, en dichter bij lieten twee Roodborstzwaluwen zich mooi zien. Na enkele meters lopen waren er twee nieuwe honingzuigers: de Roodborsthoningzuiger en de Kleine Honingzuiger. Vooral de eerste, de Scarlet Chested, maakte diepe indruk op mij. Het halfopen landschap met verspreid staande Acacia’s was zeer vogelrijk. Een kleine opsomming: Senegalese Krombek, Vieillot´s Baardvogel, Helmklauwier, Halsbandparkiet, Sahelscharrelaar, Zwartsnavelduif, Westelijke Bergfluiter, Bruine Kiekendief en Grauwe Kiekendief. Een groepje Zwarte Ruiters vloog over.

Het tweede deel in de boot leverde een hoogtepunt op: twee Witrugkwakken. Verscholen tussen de wortels van de mangroves, maar we kregen ze toch erg mooi te zien, toen de boot rustig terugvoer. Boven de open rivier vlogen een Roodkopsmelleken, een Grijze Torenvalk en de al genoemde Afrikaanse Zeearend.

Terug in het kamp was er enige discussie over de invulling van de rest van de dagen. Sommigen wilden wel langer in Tendaba blijven, om nogmaals de boottrip te maken, hopend op de Watertrapper. Deze aparte duiker hadden we niet gezien. Uiteindelijk besloten we toch die avond weer terug te gaan naar Badala Park Hotel. We zouden eerst nog gaan lopen over de Airfield in de buurt van Tendaba, om de Noordelijke Hoornraaf te zoeken, en vervolgens onderweg terug naar het hotel zouden we nogmaals op zoek naar de Goudsnip. Voor de rest zouden we wel zien wat we zouden tegenkomen.

Het was inmiddels rond het middaguur toen we gingen lopen, en het was warm. Vlak buiten het kamp vlogen Roodstuitzwaluwen, en zetten we een Donkere Zanghavik mooi in de telescoop. Onderweg zagen we Staalvinken, Oranjekaakjes en veel Geelsnavelklauwieren. Het Airport was voor mijn gevoel niet meer dan een uitgestrekte savanne, op sommige plekken droog en kaal, op andere plekken begroeid met lang en nu dor gras. Rommert ontdekte een paar Iberische Kwikstaarten. Rondom een plasje zagen we Lelkieviten, Kleine Plevieren, Steltkluten en Sporenkieviten. In het water zaten Kleine Pelikanen. Twee Noordelijke Hoornraven werden ontdekt, rustend in een boom. Ze zaten ver weg, aan de rand van het veld. Toen we naar ze toe liepen, waren we ze opeens kwijt. Rustig doorlopend kwamen we ze plotseling toch weer tegen terwijl ze door het gras liepen, nu vlakbij en mooi te zien. Twee enorme grondvogels met lange kromme snavels. Het mannetje heeft een rode, het vrouwtje een blauwe keel. Roofvogels daar: Bruine Kiekendieven, een Sprinkhaanbuizerd en een Wahlbergs Arend.

Terugrijdend stopten we nog twee keer bij Ndemban, op zoek naar de snippen. Op de eerste plek vonden enkelen de Breedstaartparadijswida. Anderen hadden het geluk de Schubkaplawaaimaker te horen en later ook te zien. We moesten nog haast maken om op de tweede plek te komen, maar daar was het raak. We zagen twee vrouwtjes en een mannetje Goudsnip. Prachtige vogels, die het lange zoeken meer dan waard waren. Net als bij franjepoten is bij deze soort het vrouwtje het mooist gekleurd en verzorgt het mannetje de jongen. Na de ontdekking kropen de vogels weg en leken ze van de aardbodem verdwenen. Piet ging nog het drassige gebied in en stootte daarmee de vogels op. Als afsluiter van de dag, en van de Tendaba-trip, kwam er een Gabarhavik langsvliegen.

Zondag 20 januari: Marakissa, Lamin Ricefields en Tanji
De laatste dag die we geheel aan vogelen konden besteden, en de laatste dag dat we officieel van Demba’s diensten gebruik konden maken. We wilden naar Marakissa, niet zozeer een plek maar meer een gebied, half open, er zouden veel roofvogels zitten. De eerste stop was bij een plasje, waar we Waterhoen en Zwart Porceleinhoen zagen. We liepen door, het veld in, tussen de verspreid staande palmbomen door. In het ochtendlicht schoot een Afrikaanse Boomvalk voorbij, eerst snel en gelijk weer weg, om even later weer terug te komen, nu mooi te zien, steenrood. De vogel landde zelfs bovenin een boom, leuk. In de lastige speurtocht naar duiven kregen we nu twee zekere Treurtortels te zien, zij aan zij in een boom. Voor de rest was wat we zagen al ‘gewoon’ aan het worden, voorzover je Violette Toerako, Grijze Bananenkaner, Grijze Tok en Dwergijsvogel gewoon kunt noemen.

Een tweede doel voor vandaag waren de Lamin Ricefields, een tuinbouwgebied waar we de Temmincks Renvogel hoopten te vinden. Onderweg stopten we nog even om de lucht af te speuren naar roofvogels. Er waren namelijk enorm veel Kapgieren in de lucht. Het leverde een Lannervalk en een Dwergarend op. Het pad naar de rijstvelden liep langs een bomenrij. Daar zaten veel honingzuigers en een Levaillants Koekoek. De Renvogels waren niet te vinden. Op de nat gehouden veldjes wemelde het wel van de Lel- en Zwartkopkieviten. Rondom de waterbakken zaten groepjes Kapgieren, die zich goed lieten benaderen.

De finale van deze dag was een bezoek aan Tanji, en dan nu echt naar het reservaat. Het is een bosgebied aan zee, inclusief het strand en een zandbank. Vooral die zandbank is beroemd vanwege de meeuwen en sterns. Ook voor dit park moet je entree betalen. Na een klein stukje lopen door het bos kom je op het strand uit. Je ziet dan in de verte de zandbank al liggen. We liepen daarheen, en onderweg zag ik al de eerste Kelpmeeuw. Fantastisch! Een prachtige grote meeuw, formaat Grote Mantelmeeuw, maar met een veel dikkere snavel. Uiteindelijk waren er drie adulten en één juveniel. Steeds dichterbij, steeds meer ontdekken, ik vond het geweldig. Natuurlijk veel Grijskopmeeuwen en Dunbekmeeuwen. Bart Jan las de ringen af van twee Kleine Mantelmeeuwen, één was afkomstig uit Engeland en één van de Maasvlakte in Nederland. We telden 14 Audouins Meeuwen, en een enkele Kokmeeuw maakte deze groep kompleet. En dan de sterns. Natuurlijk Visdiefjes, Reuzen-, Grote-, Dwerg- en Koningssterns, maar hier ook Bengaalse Sterns! We konden ze allemaal prachtig bekijken en vergelijken. Voor mij was dit een hoogtepunt. Sietse, Piet, Bart Jan en ik liepen nog een eind om, en ook door het water om nog dichterbij de groep te kunnen komen. Echt genieten. Verder waren daar nog: Drieteenstrandlopers, Bontbekken, Strandplevieren, Rosse Grutto’s, Regenwulpen en Steenlopers. Aan de duinrand zag ik nog een Gekraagde Roodstaart en twee Vale Spotvogels.

Teruglopend over het strand zagen we hoe een groep vissers haar net binnenhaalde. Ze sleepten een puik maaltje vis binnen. Telkens werd het net verder het strand op getrokken, om er telkens een vis uit te plukken, onder andere grote Barracuda’s.

’s Avonds sloten we officieel af met Demba en betaalden hem. Essa kreeg zijn geld van zijn baas, die overigens aanbood om ons weg te brengen naar het vliegveld. Dat zou makkelijker zijn … De volgende dag zou toch nog een toetje worden: Demba zou ons for free door Bijilo Forest gidsen. En natuurlijk aten en dronken we weer bij de buren, en genoten we nog even van de Afro United Band, een reggae-formatie die speelde bij het hotel. Huub heeft een cassette van ze gekocht en draait deze nog regelmatig.

Maandag 21 januari: Bijilo Forest en souvenirs
Net als Abuko is Bijilo Forest een restant oerbos. Het ligt tegen de kust aan. Het is een van de laatste plaatsen in Gambia waar je de Ahantafrankolijn kunt vinden. Die bleek inderdaad niet erg moeilijk. In de duinrand tussen bos en strand zaten Barbarijse Frankolijnen, en daartussen ontdekten we twee Ahanta’s. Voor de rest was het stil en vergeleken met andere plekken viel dit bos ons wat tegen. We zagen wel mooi enkele Grijsgroene Spechten bij elkaar, Zwaluwstaart- en Dwergbijeneters en een Goudkapfiskaal. Leuk waren ook de vele apen die zich mooi lieten bekijken.

Eigenlijk wilden we al snel weer weg, want we moesten nog extra Dalassis halen bij een bank, om Demba en het busje te kunnen betalen. Toen dat eindelijk klaar was, gingen we terug naar het hotel. Niet echt goed wetende wat we nog wilden doen, besloten we nog een keer naar Kotu Stream te gaan. Op de brug over de rivier werden we aangesproken door twee Gambianen, die ons wel naar de Geelkeellangklauw wilden brengen. We werden het niet eens over de prijs, en het ging niet door. Als onderdeel van het loven en bieden liepen we in de richting van de golfbaan, toen we wederom werden aangesproken, nu door twee jongemannen die ons ‘een uil’ zouden laten zien. Volgens het principe: no cure, no pay, gingen we mee, met weinig verwachtingen. Dat laatste was terecht, want inderdaad, we kregen een boom te zien waar verder niets in bleek te zitten. Toch wilden die jongens geld, wat ze op een vervelende manier lieten merken. Dus niet, en met veel gescheld werden wij uitgeleide gedaan. Het leek zo een wat verloren middag te worden. We besloten wat souvenirs te gaan kopen in wat winkeltjes bij het strand. Onderweg kwamen we nog oog in oog te staan met een zwarte Cobra, die zich echt even voor mij oprichtte.

In de winkeltjes was van alles te koop, maar met name houtsnijwerk, sieraden en kleding. En kopen is niet zomaar kopen, want er moet worden afgedongen. Ik vond het prachtig. Het ging voor mijn gevoel in een open en leuke sfeer: je weet allebei wat je wilt en waar de grens ligt, en daar kom ja dan samen wel uit. Na de koop kon ik het er met de verkoopsters gewoon over hebben of we nou goed of niet goed gehandeld hadden. Na een JulBrew met Piet op het terras wilde ik die laatste middag nog even alleen zijn. Ik liep over het strand terug naar het hotel, en voelde me heerlijk. De zon scheen in m’n gezicht, de mensen waren vriendelijk, ik genoot van de Grijskopmeeuwen. Voor mij was dat de afsluiting van een week vogels kijken in Gambia. Op de valreep toch nog vogels: vlak voordat ik bij het hotel terugkwam, zag ik vier kwartelgrote vogels opvliegen, met roodbruine kruin afstekend tegen de grijsbruine vleugels. Een duidelijke witte oogstreep. Jonge Barbarijse Frankolijnen of… White-throated Francolin?? Zeer onwaarschijnlijk, maar gedrag en wat ik er aan zag klopten. Misschien leuk om in de gaten te houden of die soort in de toekomst gezien gaat worden. Gambia zal immers door steeds meer vogelaars bezocht gaan worden.

Maart 2002

Lieuwe van Welie (gids)

(Als gids heeft Lieuwe in de loop der jaren aardig wat andere – en bijzondere – soorten op zijn ‘kerfstok’ kunnen bijschrijven.)